Bonnie Biersma


Mijn verblijf in Crackstate

Bonnie Biersma, schuilnamen 'Ria' en Jopje', was tijdens de oorlog actief als koerierster voor het verzet in Weststellingwerf Haar directe opdrachtgever was Chris van der Linde, schuilnaam 'Theo'.

 

Op 9 februari 1945 werd zij bij een grote razzia in haar woonplaats Wolvega opgepakt en naar Crackstate overgebracht. Daar deelde zij een driepersoonscel met nog vijf andere vrouwen, ook meest koeriersters.

 

In 1994 verscheen haar ooggetuigenverslag in het boek 'Opdat wij nooit vergeten... ' over het verzet in Weststellingwerf onder de titel: 'Mijn reis naar en verblijf in de gevangenis 'Crackstate, te Heerenveen: 65 dagen in Duitse gevangenschap.'

Teksten psalmen Crackstate

 

 

De gevangenen putten kracht uit het zingen van psalmen, gezangen en liederen van Johannes de Heer.

"Een dag in de week konden er pakjes bij de gevangenis worden afgegeven en de was worden geruild, maar ik hoorde wel dat niet iedereen z'n pakje bereikte: als strafmaatregel werd het sommige gevangenen geweigerd. Kreeg je een pakje dan ging je dat natuurlijk opdelen met de anderen en dan was het vaak weer te weinig. Mijn moeder bakte meestal 'drie in de pan' en pannenkoeken, heerlijk!! Er zat wel eens een smokkelbriefje tussen, dat ze het thuis goed maakten en dat moest je weer even verwerken: een briefje van m'n moeder... en dan kreeg je heimwee naar huis. Gelukkig duurde dat niet zo lang, want je had wel andere dingen om over te denken: hoe kom ik hier uit! Van de familie Pieter de Boer uit Oldeholtwolde kreeg ik elke week een pakje met roggebrood en spek besmeerd met dikke roomboter. Zalig!

 

Janny de Boer, mijn vriendin, bracht het eenmaal in de week en wij keken daar echt naar uit want we hadden het zo nodig: het eten was uitgesproken slecht en vies en weinig tot te weinig. Benul van tijd had je niet, de dagen kraste je met een haarspeldje in de muur: vier streepjes naast elkaar en één er schuil) doorheen, dat waren vijf dagen. 'Turven' heet dat...turven...en zo heb ik het tot vijfenzestig dagen gebracht. De dagen verliepen als volgt: 's Morgens werd er omstreeks zeven uur gefloten. Dan moest je snel opstaan en hoorde je de Duitsers schreeuwen en mensen uitkafferen en zo nodig, als het niet vlug genoeg ging schoppen enzovoort.

 

Sleutelbossen rammelden, laarzen stampten en de gevangenen gingen dan cel na cel naar de wascel. Veel boeren en onderduikers liepen op klompen, omdat ze soms zo onder de koeien waren weggehaald. In onze cel stond ook een paar klompen met dikke grijze sokken. Stille getuigen... Van een martelaar? Je werd nooit gewaar van wie ze geweest waren, maar ze spraken voor ons boekdelen... Als wij 's morgens aan de beurt waren voor onze wasbeurt beneden, werd de cel meestal opengedaan door een Belg. Hij heette Emil Steijlaerts, zoon uit een rijke Belgische fabrikantenfamilie.

 

Eenmaal in de week moesten wij onze 'ton' van boven naar beneden dragen. Dat was geen eenvoudige opgave want die ton was zwaar, twee handvatten, een groot gat van boven, meestal erg vol en dun. U begrijpt het al: je moest samen een gelijke tred hebben en de trap was smal, dus te weinig ruimte om je voeten neer te zetten. Dan ging het wel eens mis en dat werkte dan weer op onze lachspieren, zodat we niet voor of achteruit konden. Maar dat duurde nooit lang, want het paste niet in het straatje

Smokkelbriefjes
Smokkelbriefjes

van de Duitsers en die schreeuwden dan "Schnell! Schnell!" en "Ruhe!". Deze korte woorden klonken dikwijls door de gevangenis als mannen werden verhoord en gemarteld. Dan hoorden we hen schreeuwen van pijn...dat ging je door merg en been. Dat werkte zo beangstigend op de andere gevangenen die dat ook als hun voorland zagen of het reeds hadden beleefd. Dan brak er een massa-hysterie los van angst. Ze begonnen in hun cellen heen en weer te lopen, sloegen met vuisten en klompen op celdeuren. Dan zaten wij als bange vogeltjes naast elkaar op de rand van een krib met de vingers in de oren, want het was niet om aan te horen. De angst die daaruit klonk... dat holle geluid van ijzer en steen... die laarzen... die schreeuw van de Duitsers: "Ruhe!!, Ruhe!!"

 

Weet u wat we daarna deden, als alles stil was? Wij begonnen te zingen: psalmen, gezangen, liederen van Johannes de Heer... Wij hoorden later van de corveeërs, via Ome Piet (Yspeert red.), of we toch vooral veel wilden zingen voor de mannen, want ze putten er zoveel kracht uit: in stilte in een koude cel, met de angst wat gaan ze morgen met me doen...luisteren naar liederen die zovelen bekend in de oren klonken, wat hun houvast en vertrouwen gaf. En daarom zongen wij veel! Ook al werd er van beneden geschreeuwd: "Ruhe". Wij zongen totdat het de Duitsers verveelde, en dan kwam er één de celdeur open doen en zei: "Jullie moeten je mond houden anders worden er strafmaatregelen genomen." Dan zei ik gekscherend: "En sluit je ons dan op?" Hilariteit bij de meisjes achter me.

 

Dan ging hij weer weg tot de volgende keer. Wij zijn in al die tijd twee maal gelucht. Dat was veel te weinig en moest eigenlijk elke dag. De luchtcellen lagen beneden aan de binnenplaats, smal beginnend en breed uitlopend, rondom een muur en hoog boven: tralies... Toen we gelucht werden stond de Belg Emil Steylaerts tegen de deurpost van de luchtcel te leunen. Plotseling stak hij zijn rechterbeen naar voren en hield mij zo tegen, greep me vast en wilde iets van mij: een zoen of iets dergelijks, maar daarvoor kreeg hij geen gelegenheid, want ik schopte hem impulsief zo hard voor z'n linkerscheenbeen dat we er beiden van schrokken. Hij liet me gaan alsof er niets was gebeurd, maar het zette me wel aan het denken.

 

Mijn angst was altijd: als ze maar geen seksueel geweld tegen ons gaan gebruiken. Die mogelijkheid zat er in: ze waren jong en lang van huis. Maar ik moet hen tot hun eer nageven: ze hebben ons in die richting nooit lastig gevallen. Dat Emil Steylaerts zekere gevoelens voor mij had, liet hij op bepaalde momenten blijken... De laatste zondag voor de bevrijding kwam hij boven en stuurde alle vrouwen op de gang. Die mochten daar wat rondlopen, maar ik moest blijven. Vreemd, dacht ik. Wat zal er aan de hand zijn? Hij ging naast me op de krib zitten en vroeg: "Zou jij met mij willen onderduiken en weet je dan waar je met me heen zou gaan?" Ik dacht pas op! Misschien een strik-. vraag. Ik zei "Voor ons staan alle deuren open, dat kunnen jullie niet Zeggen. Waar we heen zouden gaan, dat blijft een verrassing. Ik kan je dit wel zeggen: We zitten met zo'n tachtig mensen gevangen in Crackstate. Als jij nog een goede daad wilt doen tegenover al het verkeerde dat je hebt gedaan, laat dan alle gevangenen vrij. Die vinden hun weg wel en ik duik onder met jou. Dus allemaal vrij of geen vrij. Denk daar maar eens over na". Een paar dagen voor onze bevrijding kwam hij me boven in de cel zeggen: "Ik zie geen kans om jouw plan te verwezenlijken. Er is teveel bewaking  

De gevangenis achter Crackstate
De gevangenis achter Crackstate

rondom en in de gevangenis". Ik zei: "Schiet die lui maar overhoop. neem hun wapens af en geef die aan de gevangenen. die bevrijden elkaar we)". Hij keek me aan alsof hij wou zeggen: was het maar zo simpel... Mijn plan was van de baan en dat was misschien ook maar goed, want dan waren er waarschijnlijk nog heel wat slachtoffers gevallen... De laatste middag (13 april red.) hoorden wij beneden in de gevangenis ontzettend veel lawaai door het verschuiven van zware materialen. Dat duurde vrij lang en er werd veel heen en weer gelopen. Op de normale tijd werd ons avondeten gebracht: een blikje vieze koffie-surrogaat en twee boterhammen. Ik vroeg zo langs m'n neus weg aan Emil Steylaerts die het eten bracht :"Wat was dat toch voor lawaai vanmiddag" ... Toen zei hij: "Alle munitie is in de voorhal gesleept. We verdedigen ons tot het laatst en als het niet meer gaat, is de laatste oplossing om Crackstate in de lucht te laten vliegen met alle gevolgen van dien. Misschien ga ik er zelf ook wel aan kapot..." Toen ging hij weg... Daar zaten we dan. Zwijgzaam vol gedachten. Je zou wel tegen de muren op willen vliegen, maar het zou je niet verder helpen. Lamgeslagen. Het enige dat ons bezig hield was luisteren naar wat er buiten gebeurde... De spanning was om te snijden ... Dan hoorde je in de verte de eerste knallen en explosies.

 

Het kwam steeds dichterbij en uur na uur verstreek. Langzaam aan begon het buiten een beetje licht te worden. Licht dat iets van de dreigende angst in het donker van de nacht wegnam... Het was negen uur toen een eerste geluid uit de gevangenis tot ons doordrong... Voetstappen die naderbij kwamen. Voetstappen in onze richting. Een sleutelbos rammelde ... Toen ging de celdeur open. Buiten onze cel bleef hij staan. De Mol was zijn naam, ook een Belgische rexist. Wij moesten ons klaarmaken en hij zou direct terugkomen. Een panische angst... Wat gaat er nu met ons gebeuren... Hij haalde ons één voor één uit de cel en nam ons mee naar beneden. Toen ik aan de beurt was bracht hij me naar de verhoorkamer. Daar was geen mens meer te zien. Hij trok zwijgend een bureaula open en gaf me mijn spulletjes terug... Toen ik mijn mantel had aangetrokken en m'n spullen had opgeborgen zei hij ... : "U bent vrij" ... Ik moest me bedwingen, maar ik kon hem wel om de hals vliegen, maar ik vloog snel naar buiten ...DE VRIJHEID TEGEMOET!!!."