Gerlof de Wolf


De bevrijding van Crackstate

Bakker Gerlof de Wolf woonde tijdens de oorlog in de Begoniastraat, schuin tegenover de gevangenis van Crackstate. Vanuit zijn huis kon hij de gang van zaken rond de gevangenis goed volgen. Als zeer gelovig mens was hij erg begaan met het lot van de gevangenen. Toen hij op zaterdag 14 april 1945 de SD zag vertrekken besloot hij samen met zijn knecht Hendrik Kooy een poging te doen de gevangenen uit Crackstate te bevrijden.

Links naar rechts: bakker G. de Wolf en knecht Hendrik Kooy. De cellengalerij Crackstate

 

Direct na de bevrijding schreef hij zijn herinneringen aan deze moedige daad op. Hij eindigde zijn verhaal met het volgende voor hem kenmerkende gedicht.

 

Geef Gode alleen de eer

Gedenk niet meer aan bakker Wolf

En ook niet aan zijn knecht

Gedenk uw Heiland meer

 

Hij was het die het deed

Wij waren enkel instrument

Hij gaf ons ook de Vree

Vergeet dat nimmermeer

 

"Daar ik wist van iemand, een medewerker van de ondergrondse, dat de Canadezen zaterdag zouden komen, werd de angst hoe langer hoe groter, wat zal er gebeuren met de gevangenen, met Crackstate, het telefoongebouw en alles in onze omgeving? De een zei: "Crackstate zal wel in de lucht gaan, net als de bruggen." Een ander sprak weer: "Er zullen wel tijdbommen in liggen." De mensen maakten elkander bang en benauwd. Niettegenstaande hadden we vaak op de loer gelegen met een toneelkijker, die ik bezat, waarmee we de zijkant van Crackstate aardig dichterbij konden halen. De spanning werd groter naarmate het schieten en de ontploffingen van bruggen toenam. En weer stonden we op de loer, totdat op een moment alle Gestapo agenten bericht ontvingen om Crackstate te verlaten. Zo was tenminste mijn veronderstelling. Maar het bleef bij een veronderstelling. Weten deden we niets...

 

Eerst maar eten, tenminste proberen te eten. Het was twee uur, de tijd kroop om. Ongeveer half twee waren ze gegaan, de Gestapo agenten. Van een der hoekcellen der gevangenis was een ruitje stuk, niemand durfde het te wagen daar, op een kleine honderd meter afstand, een enkel gebaar of teken te geven. Eerst maar een van mijn kleine jongens heen sturen. "Zeg maar dat de Canadezen in Oranjewoud zijn, de bevrijding is nooit zoo dicht bij geweest." "Och, blijf nog even bij ons staan praten mijn jongen", sprak één der gevangenen.

 

Ja, het was niet om uit te houden. Weer iemand heen sturen, Hendrik Kooy, mijn bediende. "Zeg Henk, ga jij eens heen, spreek hen maar moed in en zeg maar dat ze vast vandaag komen en dat de bevrijding nabij is." Hendrik kwam ter ore dat er sleutels vooraan in de gang van het voorportaal moesten liggen... Zou het waar zijn? De lont was opgesmeuld, de gevangenis niet de lucht in gevlogen, maar nu de tijdbommen nog die er onder lagen. Lagen die er wel? Die lont was toch ook al opgesmeuld?

Boekje bevrijding van Crackstate
Voorpagina van het boekje dat bakker De Wolf kort na de oorlog schreef over de bevrijding van Crackstate.
Oorkonde De Wolf en Kooy
Oorkonde die De Wolf en Kooy kregen uitgereikt als blijk van waardering voor hun moedige optreden op 14 april 1945.

 

Jij bent toch een Nederlander, kan je nog langer wachten? Het was tussen half drie en drie uur. Het was dé tijd. "Hoor eens Henk, zullen we eens gaan kijken en ze eruit halen, proberen althans?" "Zeg Henk, durf je.. ? "Ja ikke wel", dat was genoeg. Hij was al in het park naast de gevangenis voor ik er was. Ik doe net alsof ik niet tot tien kan tellen, met de handen in de zak, voetje voor voetje. Net als iemand van 65 die zijn ouderdomsrente van het postkantoor moet halen. Eerst nog eens de gevangenen met het kapotte ruitje ondervragen dacht ik. "Zeg hallo, weet je zeker dat er zich niemand in de gevangenis bij de cellen bevind?" Het antwoord luidde: "Ja, hier bij de cellen is niks meer, maar wat daar voor is weten we natuurlijk niet. Haal ons er maar gauw uit.....

 

Ik liep kalm verder naar de buurt van de schuilkelder, die zich scheef tegenover de gevangenis bevond, waar ook Henkie stond. Ineens schreeuwde hij: "Baas, baas een moffe auto met machinegeweren er op in de K.R. Poststraat, die kan hierheen komen, vlug achter de schuilkelder." "Er in", schreeuwde ik, maar ik kon de ingang zo vlug niet ontdekken en bleef toen maar staan waar ik stond. Het had de hele dag aangereden met die moffe auto's bij Crackstate, dus ook deze kon hier heen komen. Even wachten, nu maar even kijken waar hij dan wél was heengegaan.

 

Blijkbaar de Fok op. Nu de drieste schoenen maar aan ... Schoorvoetend, met Henk op een afstand, liep ik tweemaal heen en terug voor het gebouw. Of er komt iemand naar voren lopen, of er wordt geschoten, dacht ik. Niets gebeurde er, het bleef stil en er was niets meer te zien. Dan maar verder kalm om het gebouw heen, waar zich het kantongerecht, de Raad van Arbeid enz. in bevinden.

 

Daar stonden nog twee rijwielen, aan iedere kant van de gevangenisdeuren één. Laten die moffen wel ooit iets staan, dit is gevaarlijk... het was alsof die fietsen tot mij spraken: "Denk er om jong, onze berijders kunnen hier zitten om op het laatste ogenblik, de eerste de beste die het gebouw betreedt, neer te schieten, maar ook om met de gevangenen te doen wat zij willen." Maar doorzetten moesten wij, niets kon ons meer weerhouden ...

 

Daar stonden we voor het hol van de leeuw. Nu nog dat elektrische apparaat dat aan de deur met een batterij was bevestigd of dat dynamiet bij de sleutels. Heel, heel voorzichtig de deur openen. Niets gebeurde. Ja, daar lagen de sleutels, zoo men verteld had, in een handdoek met een punt over de sleutels heen geslagen. Ik pakte de punt van de handdoek heel voorzichtig beet... ieder ogenblik konden we de lucht in gaan. "Zie jij iets Henk, goed kijken jong, zie je niks?"

 

Ik raapte de verschillende ringen met sleutels en twee grote vanonder de doek vandaan. Nog even in de kamers van het voorportaal kijken. Niets meer te zien, we hadden nog steeds geluk. Nu vlug. Ik stak een der grootste sleutels in het sleutelgat en de eerste de beste paste. Twee grote dichte deuren gingen voor ons open en daar stonden we even verder voor een ijzeren hekdeur. Ik stak de andere grote sleutel daarin. We konden de gevangenen horen spreken. Even luisteren...

 

Daar sprong Henk weer terug naar de voordeur. "Baas ik hoor Duits spreken, ik doe het niet, ik ga terug." En ik ook terug, wat achteraf goed was, want toen kwam ik op het idee om de voordeur van binnen op slot te draaien. De Duitsers kwamen niet van boven. Neen, hij zat achter de tralies, althans iemand met een Duitse tongval. We moesten verder, we waren nu eenmaal zover. We hadden onszelf opgesloten in de gevangenis. Ze zullen er uit, ze moeten er uit. Henk kreeg weer moed en we gingen terug naar de ijzeren deur.

Ik draaide de sleutel om ... neen de deur ging niet open. Ik haalde de hendel naar beneden en daar ging hij. Nu zoo vlug mogelijk handelen. Eerst naar boven. Wij holden de ijzeren trappen op naar de verste cel, waar de mannen zaten met de kapotte ruit. "Daar komen ze aan, daar komen ze aan". hoorden we de gevangenen uitroepen, die een stok tusschen de deur hadden en ons zoodoende konden zien aankomen. We pakten een willekeurige sleutel en zonder dat we het wisten, had God het zoo beschikt, dat ook deze de bestemde sleutel was van de cel die we open maakten. En...een handgeklap ...handgevuist...schouderklop... ja zelfs omhelzingen. Maar er moest vlug gehandeld worden.

 

Een der eerst losgemaakten (Jan Tuut, red.) wist dat de sleutels genummerd waren. Ik overhandigde ze vlug aan hem en daar ontstond een oorverdoovend geluid. De ergste 'terroristen', die elk oogenblik de dood voor oogen hadden gehad, konden hun geduld niet meer bewaren en vlogen bij de deuren op en trapten tegen de deuren, zoodat die van een der cellen royaal was uitgetrapt. Hij probeerde hen te kalmeeren en zei: "Hoor eens vrienden, als je zo doorgaat, dan speel je met ons leven. We hebben dit gedaan, maar nu moet je ook je verstand gebruiken. Jullie komen er allemaal uit.

 

Niemand blijft achter, maar wees alstublieft kalm! Het is nog lang niet zonder gevaar, we zitten nog midden in het vuur. Ik ga naar beneden en blijf bij de voordeur staan, totdat jullie allemaal los zijn. Allemaal of geen één." Ik snelde bij de ijzeren trappen neer en vloog naar de voordeur, waar ik de sleutels krampachtig vasthield, bang dat het ongeordend toe zou gaan. Ze hadden me nu werkelijk bang gemaakt met al dat lawaai. Waren we vijf minuten later geweest, zoo vertelde men mij later, dan waren we allen tezamen verloren geweest. Gelukkig dat we dat niet wisten.

 

Gelukkig ook dat we niet wisten dat ze bij mij thuis doodsangsten uitstonden en dat twee van mijn kinderen bij de muur opvlogen en één in de kelder wou springen en het uitraasde: "Ze hebben mijn vader, de Duitsers hebben mijn vader." De buren stonden buiten en op de Paul Krügerkade voor de ramen en de deuren, krampachtig van spanning te wachten op de afloop. De cellen stroomden leeg en de Hollandsch glorie boeven liepen als hazen naar beneden en de koelbloedigsten zochten nog hun papieren en eigendommen bijeen, maar vele anderen niet. De eersten hadden iets tijd, de laatsten niet. "Allen er uit", riep ik. "Zijn jullie zeker dat er niemand is vergeten?" "Neen, alles is leeg", was het antwoord. "Nog even luisteren". sprak ik. "Denk nou niet dat jullie naar huis kunnen gaan, dat is niet vertrouwd.

 

We zitten nog midden in de vijanden en de Canadezen komen van Oranjewoud en van Luinjeberd en van Oldeboorn, dus vuur van alle kanten. Volg mij allemaal maar, of als je eerder hier in de buurt plaats kunt krijgen, maar zie uit je ogen." Henk ging eerst even kijken of er ook onraad in de buurt was. Binnen enkele ogenblikken was hij terug. Alles veilig! En daar ging ie, allen achter ons aan, hoeveel weet ik niet precies. Voor kennismaking was geen tijd, tenminste niet met een goeie zestig man, zo men later zei. Dat kwam later wel. Het was nu voorwaarts, weg uit het boze hol, dwars door het park naar huis gehold. Toen we thuis waren had ik nog een kleine twintig man bij me.

 

Bij allen in de omgeving van de gevangenis werden ze met open armen ontvangen en in veiligheid gebracht. Ook bij mij in de omgeving, zodat ik tenslotte maar twee man over had. Het toppunt van dankbaarheid was bij ons allen aanwezig. En vooral zondagmorgen toen we, zodra het licht was, de plaats ingingen en hoorden dat we vrij waren, verlost van de Duitse tirannie. die ons niets meer konden maken. Een pak was van ons hart gevallen en we waren overstelpt van dankbaarheid. Dat we nog lang en gelukkig in een nieuw herrezen Nederland in ware harmonie en vrede mogen leven voor God en Vaderland."