Lijfstraffen


Afhouwen van de hand 

Om te voorkomen dat de veroordeelde doodbloedde, werd het bloed met doeken gestelpt en werd de gewonde arm verbonden. Het amputeren van een hand werd hoofdzakelijk toegepast op criminelen die een inbreuk hadden gepleegd op de wetten van de stad.  

Straffen aan het oor

Het afsnijden van één of beide oren was een typische dievenstraf. Deze verminking liet toe een dief gemakkelijk te herkennen: wie zijn oor miste, was vermoedelijk een dief. Het kon ook voorvallen dat een dief beide oren werden afgesneden.  

Straffen aan de tong

Dit delict behoorde evenals heiligschennis, ketterij en tovenarij tot de misdrijven gericht tegen de goddelijke majesteit. Wie roekeloos kritiek spuide op de politiek van de hertog of wie hem zondemeer beledigde, verdiende eveneens gestraft te worden aan de tong.  

Straffen aan het oog 

Vermoedelijk werd een valsspeler een eerste keer aan de kaak gesteld, een tweede keer de duim afgehouwen en een derde keer zonder mededogen de kijkers uitgestoken. De scherprechter stak dus de ogen uit met een scherpe vlijm of lancet. Andere toepassingen waren met een boor of door verbranding met ongebluste kalk. 

Straffen aan huid en haar 

De straf `te huid en te haar‘ was oorspronkelijk een samenspel van een geseling en het afknippen of uitrukken van het hoofdhaar, die in de klassieke periode gepaard ging met verlaging tot de slavenstand. Een straf aan huid of haar was dan wel een zeer schandelijke sanctie, het was ook een betrekkelijk milde sanctie. Het brandmerken gebeurde steevast door met een brandende sleutel de kaak of een ander deel van het gezicht te verschroeien. Ook wel genoemd als `openlijk‘ schandvlekken.  

Brandmerken

Het brandmerken was een strafmaatregel, een lijfstraf. De brandmerking werd onder andere als maatregel om recidivisten en terugkerende verbannen personen gemakkelijker te kunnen herkennen uitgevoerd. Het brandmerken geschiedde met een gloeiend ijzer (brandijzer), meestal op het gelaat, zoals de wangen of het voorhoofd, de beul smeerde vaak buskruit in de gebrande wond, om zodoende een duidelijke brandtekening te verkrijgen. Vanaf medio 17de eeuw werd het brandmerken in het gezicht geleidelijk verboden. 

De pijnbank 

De pijnbank was een middel om iemand die verdacht werd van onwettige feiten te pijnigen om een bekentenis te verkrijgen. De pijnbank bestond al veel vroeger dan de Romeinse tijd en de Middeleeuwen. De verdachte werd op de pijnbank gelegd en vastgebonden zodat de beulen en de ondervragers alles konden doen met het slachtoffer. Er werd met vuurtoortsen, geseling, tangen, of met de waterproef gefolterd. 

 

De pijnbank was ook een soort rekbank, waar de veroordeelde werd uitgerekt met behulp van touwen of kettingen aan het draairad. Later werden de pijnbanken geraffineerder gemaakt om iemands gewrichten te ontzetten. Na het midden van de 18e eeuw werden deze manieren van verhoren niet zo veel meer toegepast. 

Gesellen

Geselkat duidt specifiek op een kat met negen staarten, zoals in de scheepvaart en strafkolonies werd gebruikt op de blote huid, of op enig vergelijkbaar model met meer of minder of onbepaald aantal staarten, eventueel in andere materialen. De Russische knoet (een woord met homofonen) werd gebruikt voor de zwaarste, soms dodelijke geselingen in de tsarentijd. 

De duimschroef

Een duimschroef is een martelwerktuig, dat gebruikt werd bij gedwongen verklaringen. Een duimschroef bestaat uit een plaat waarop je duim geplaatst werd. Eroverheen komt een beugel waardoor een bout geschroefd wordt. Door de schroef naar binnen te draaien wordt de duim platgedrukt, hetgeen in een grote pijn resulteert zonder meteen levensgevaarlijk letsel toe te brengen. De duimschroef komt voor in het Nederlandse gezegde iemand de duimschroeven aandraaien, dat betekent dat iemand in een situatie wordt gebracht waarin hij weinig anders meer kan dan gehoorzamen.  

Foltertechnieken

In de regel was het pijnigen met koorden de enige rechtmatige manier van tortuur. De scherprechter striemde en woelde een vlijmend touw over benen, armen, het hoofd en de rest van het lichaam en snoerde deze zo stevig vast dat de geknoopte draden door het vlees tot op het bot van de ondervraagde schuurden. Ter verzwaring van de foltering werden de hennepen of vlassen koorden soms vervangen door ijzeren ketenen. 

Waterproef

Bij de waterproef werd de verdachte eerst op de rug op de pijnbank gebonden en op borsthoogte aan het folterinstrument vastgebonden. Vervolgens werd het lichaam met koorden opgespannen totdat de pijn ondraaglijk werd. De scherprechter liet daarna door een trechter ijskoud water op de borst, op tenen en op andere lichaamsdelen druppelen. Als de gefolterde niet loslippig werd, kneep de beul diens neusgaten dicht en stak de verdachte een breidel in de mond. De beul goot de breidel vervolgens vol met één of andere vloeistof tot het lichaam tot barstens toe gezwollen was. Het vocht kon bestaan uit water, maar ook olie, azijn en zelfs urine kwamen in aanmerking. Naast de kleine waterproef van zes liter bestond ook een grote waterproef waarbij twaalf liter gebruikt werd.